Paraganglioom is de verzamelnaam voor een groep aandoeningen, die kan worden onderscheiden in twee hoofdvormen:
1. Feochromocytoom: meestal functionerende (catecholamine producerende) tumoren in het bijniermerg of (zelden) buiten de bijnieren in het abdomen en de thorax, en
2. Hoofd-hals paraganglioom, meestal niet-functionerende tumoren in het hoofd-hals gebied, het meest frequent in het glomus caroticum.
Er zijn verschillende genen betrokken bij erfelijk paraganglioom (onderstaande Tabel):
|
Genen betrokken bij erfelijk feochromocytoom en hoofd-hals paraganglioom |
|||
|
Gen |
Ziektebeeld |
Beschrijving |
Overervingspatroon* |
|
RET |
MEN 2 |
Medullair
schildkliercarcinoom |
AD |
|
VHL |
VHL |
Cerebellair
haemangioblastoom |
AD |
|
NF1 |
NF type 1 |
Café-au-lait
vlekken |
AD |
|
SDHB |
Hoofd-hals
paraganglioom |
AD |
|
|
SDHC |
Hoofd-hals paraganglioom |
AD |
|
|
SDHD |
Hoofd-hals
paraganglioom
|
AD met maternale imprinting: de ziekte komt alleen tot uiting bij overerving via de vader |
|
* AD: autosomaal dominant
Ziekteverschijnelen
De ziekteverschijnselen van feochromocytoom bestaan uit a) directe
verschijnselen van tumorgroei en b) verschijnselen van overproductie van
cathecholaminen. Klinische verschijnselen van overproductie van deze
hormonen zijn onder meer in aanvallen optredende of chronische hypertensie.
Soms worden andere hormonen door de tumor geproduceerd.
Het feochromocytoom is meestal goedaardig. De frequentie van maligne feochromocytoom loopt in verschillende series uiteen van 5% tot 46%. Bij de erfelijke vormen komt maligne feochromocytoom relatief zelden voor.
Erfelijk feochromocytoom
Feochromocytoom is meestal niet familiair. In het verleden werd
verondersteld dat circa 10% van de patiënten een erfelijke vorm van de
aandoening heeft. In een recente studie werd echter bij 25% van de
patiënten met schijnbaar sporadisch feochromocytoom een
kiembaanmutatie gevonden in één van de genen, die
geassocieerd zijn met syndromaal feochromocytoom (Neumann et al.,
2002).
Bedoelde syndromen zijn met name het Von Hippel-Lindau syndroom (VHL) en multipele endocriene neoplasia type 2 (MEN 2). Zelden treedt feochromocytoom op bij neurofibromatose type 1 (NF1) (Tabel onder kopje ´inleiding´).
Aan de hand van het klinisch beeld van feochromocytoom kan de kans op een erfelijke oorzaak mede worden bepaald (onderstaande Tabel):
|
Erfelijk versus niet-erfelijk feochromocytoom: leeftijd bij diagnose en type tumor (Neumann et al., 2002) |
||||
|
Subtype |
Gemiddelde leeftijd (spreiding) (jr) |
% presentatie < 18 jaar |
% met multifocale tumor |
% met extra-adrenale tumor |
|
Erfelijk (n=66) |
24.9 (5-59) |
41% |
32% |
21% |
|
MEN 2 |
36.4 (21-50) |
0% |
38% |
0% |
|
VHL |
18.3 (5-49) |
67% |
40% |
13% |
|
SDHD |
28.7 (5-59) |
27% |
36% |
36% |
|
SDHB |
25.6 (12-48) |
33% |
0% |
50% |
|
Sporadisch(n=205) |
43.9 (4-81) |
10% |
2% |
8% |
Recent vonden Neumann et al. (2004) in een groep van 417 patiënten met feochromocytoom (334) en paraganglioom (83) – na uitsluiting van patiënten met MEN 2, VHL en NF1 - bij 49 van deze patiënten (12%) een SDHB- of SDHD-mutatie. Bij 5 (10%) van de 49 mutatiedragers was de diagnose gesteld op een leeftijd van 50 jaar of ouder (50-65 jaar).
De kans op het vinden van een erfelijke vorm van feochromocytoom is dus gering als de diagnose boven de leeftijd van 50 jaar wordt gesteld. Het aantonen van een erfelijke vorm heeft echter belangrijke consequenties voor de patiënt en zijn/ haar familieleden.
Er is bij feochromocytoom een relatief grote kans op het vinden van een erfelijke oorzaak bij DNA-diagnostiek indien de aandoening:
1) is vastgesteld < 50 jaar en/ of
3) gepaard gaat met familiegegevens die wijzen op één van genoemde aandoeningen.
Bryant et al. (2003) hebben de volgende procedure van diagnostiek aanbevolen (onderstaande Tabel) :
|
Patient met feochromocytoom > |
|
|
Evaluatie van medische gegevens en familiegegevens, onderzoek naar tekenen van MEN 2A, MEN 2B, VHL, NF1, SDHB, SDHD > |
|
|
Klinische aanwijzingen voor een erfelijke oorzaak > |
Geen klinische aanwijzingen voor een erfelijke oorzaak > |
|
Gerichte mutatie-diagnostiek* |
Mutatie-diagnostiek* indien leeftijd < 50 jaar |
* VHL, RET, SDHD, SDHB
Inleiding
Paragangliomen in het hoofd-halsgebied zijn als regel
goedaardige tumoren, die uitgaan van de paraganglia. Een veel voorkomende
locatie is het glomus caroticum, in de splitsing van de halsslagader. In
het verleden werd verondersteld, dat bij ongeveer 5% van de patiënten
met hoofd-hals paraganglioom een combinatie met feochromocytoom optreedt.
In een recente Nederlandse studie van SDHD-geassocieerd hoofd-hals
paraganglioom werd echter bij 20% van de
patiënten een feochromocytoom gevonden (Van Houtum et al.,
2005).
SDH
-genen en
imprinting
De genen betrokken bij erfelijk paraganglioom coderen voor onderdelen van
het enzym succinaat-dehydrogenase (SDH), ook bekend als complex II van de
mitochondriële ademhalingsketen, SDHB, SDHC, en
SDHD. Bij SDHD mutaties is het overervingspatroon
autosomaal dominant met maternale imprinting, waarbij de ziekte alleen tot
uiting komt als de aanleg van de vader is overgeërfd (Taschner et al.,
2002). Bij SDHB mutaties worden relatief vaak recidief,
maligniteit en extra-adrenaal feochromocytoom gevonden (Gimenez-Roqueplo et
al., 2003, Neumann et al., 2004). Er zijn aanwijzingen voor een verhoogde
kans op niercelkanker en schildklierkanker bij dragers van een
SDHB–mutatie (Vanharanta et al., 2004, Neumann et al.,
2004).
Frequentie van SDH-mutaties
Mede afhankelijk van de bevolkingsgroep die wordt getest worden meer of
minder frequent SDH-kiembaanmutaties gevonden bij sporadisch
paraganglioom. Baysal et al.
(2002) vonden mutaties
in 70% van de familiaire gevallen en 8% van de niet-familiaire gevallen.
In een andere studie werd bij sporadisch paraganglioom geen erfelijke
oorzaak aangetoond (Mhatre et al., 2004). Recent werden grote deleties
gevonden bij erfelijk paraganglioom in families waarin met de
gebruikelijke technieken eerder geen mutatie was gevonden (McWhinney et
al., 2004, Baysal et al., 2004).
In Nederland wordt bij hoofd-hals paraganglioom relatief vaak een erfelijke oorzaak gevonden: het betreft dan één van twee founder mutaties in het SDHD gen: Asp92Tyr en Leu139Pro. In familiaire gevallen werd bij 80%-100% van de families een van deze mutaties gevonden, in sporadische, niet-familiaire gevallen bij ongeveer een derde van de gevallen (Taschner et al., 2001, Dannenberg et al., 2002). Hierin is een indicatie gelegen voor het verrichten van DNA-diagnostiek in alle gevallen van hoofd-hals paraganglioom.
Vroege diagnostiek en
behandeling
De direct aan de DNA-diagnostiek gekoppelde vraag is, wat de voor- en
nadelen zijn van het vinden van een erfelijke oorzaak. Basisvraag is of
vroege diagnostiek en behandeling zinvol is bij deze groep zeer langzaam
groeiende tumoren.
In de studie van Renard et al. (2003) presenteerden patiënten zich met hoofd-hals paraganglioom vele jaren nadat de eerste verschijnselen optraden. Deze en andere auteurs (Neumann et al., 2004 en uit dezelfde groep Boedeker et al., 2005) bevelen internsief periodiek onderzoek aan ten behoeve van vroege diagnostiek en behandeling. Daarbij zijn echter geen lange-termijn studies beschikbaar over de voor- en nadelen van periodiek onderzoek. De vraag is of het programma van screening en follow-up toegespitst zou kunnen worden afhankelijk van de in de familie gevonden mutatie (met name SDHD versus SDHB).
In de landelijke STOET/ VKGN richtlijnen 2005 wordt het volgende schema voorgesteld voor periodiek onderzoek (onderstaande Tabel):
|
Periodiek onderzoek op hoofd-hals paraganglioom en feochromocytoom* |
|||
|
Te onderzoeken groep |
Soort onderzoek |
Startleeftijd |
Frequentie |
|
SDHD mutatiedragers, die de mutatie van vader hebben geërfd en SDHB mutatiedragers
|
MRI scan hoofd-halsgebied |
18 jaar |
2-3 jaar |
|
Urine-onderzoek op feochromocytoom§ |
Geen consensus |
2 jaar# |
|
*landelijke richtlijn erfelijke tumoren STOET/ VKGN
§ ook wordt in de literatuur aanbevolen: zowel urine-onderzoek als
beeldvormend onderzoek op paraganglioom en voor
SDHB-mutatiedragers een intensievere follow-up dan voor
SDHD-mutatiedragers (Pawlu et al., 2005)
# tevens pre-operatief
Niercelkanker op zeer jonge leeftijd (20-30 jaar) kan uiting zijn van een SDHB mutatie (Vanharanta et al., 2004, Neumann et al., 2004). Het is nog onduidelijk, of voor SDHB mutatiedragers periodiek onderzoek op niercelkanker zinvol is.
Conclusies
1) Wanneer erfelijkheids-onderzoek en -voorlichting worden aangeboden, ligt
het te verwachten positieve responspercentage in de orde van 40%
(Oosterwijk et al., 1996).
2) Er is bij hoofd-hals paraganglioom een hoge kans op het vinden van een SDHD- mutatie. In families met deze mutaties kan door DNA-diagnostiek voor vele familieleden worden aangetoond, dat zij:
a) De mutatie niet hebben geërfd, waardoor voor hen en hun kinderen een verhoogd risico op paraganglioom is uitgesloten, ofwel
b) De mutatie van moeder hebben geërfd, waardoor zij zelf (gezien de maternale imprinting) geen verhoogde kans op paraganglioom hebben.
4) Voor dragers van SDHD mutaties overgeërfd van vader is er een hoge kans op hoofd-hals paraganglioom en is volgens een recente studie de kans op feochromocytoom 20%.
5) Bij SDHB mutaties is er een relatief hoge kans op recidief, maligniteit en extra-adrenaal feochromocytoom.
6) Aangaande periodiek onderzoek wordt na voorlichting van de betrokkenen over de voor- en nadelen van screening desgewenst een schema van follow-up gevolgd, individueel in te stellen door de controlerende specialisten, waarbij in principe een “wait and scan” beleid wordt gevolgd ten aanzien van de hoofd-hals paragangliomen en regelmatige controle wordt verricht op cathecholamine-producerend feochromocytoom.
Baysal, B.E., Willett-Brozick, J.E., Lawrence, E.C. et al. Prevalence of SDHB, SDHC, and SDHD germline mutations in clinic patients with head and neck paragangliomas. J. Med. Genet. 2002; 39: 178-183
Baysal, B.E., Wilett-Brozick, J.E., Filho, P.P.A. et al. An Alu-mediated partial SDHC deletion causes familial and sporadic paraganglioma. J. Med. Genet. 2004; 41: 703-709
Bauters, C., Vantyghem, M.-C., Leteurtre, E. et al. Hereditary phaeochromocytomas and paragangliomas: a study of five susceptibility genes. J. Med. Genet. 2003; 40: e75
Bryant, J., Farmer, J., Kessler, L.J. et al. Pheochromocytoma: the expanding differential diagnosis. J. Natl. Cancer Inst. 2003; 95: 1196-1204
Dannenberg, H., Dinjens, W.N.M., Abbou, M. et al. Frequent germ-line succinate dehydrogenase subunit D gene mutations in patients with apparently sporadic parasympathetic paraganglioma. Clin. Cancer Res. 2002; 8: 2061-2066
Dannenberg, H., van Nederveen, F.H., Abbou, M. et al. Clinical characteristics of pheochromocytoma patients with germline mutations in SDHD. J. Clin. Oncol. 2005; 23: 1894-1901
Elder, E.E. & Larsson, C. Pheochromocytoma and functional paraganglioma syndrome: no longer the 10% tumor. J. Surg. Oncol. 2005; 89: 193-201
Gimenez-Roqueplo, A.-P., Favier, J., Rustin, P. et al. Mutations in the SDHB gene are associated with extra-adrenal and/ or malignant phaeochromocytomas. Cancer Res. 2003; 63: 5615-5621
Hes, F.J., Höppener, J.W.M., Lips, C.J.M. Phaeochromocytoma in Von-Hippel disease. J. Clin. Endocrinol. Metab. 2003; 88: 969-974
Houtum, van, W.H., Corssmit, E.P.M., Douwes Dekker, P.B. et al. Increased prevalence of cathecholamine excess and phaeochromocytoma in a well-defined Dutch population with SDHD-linked head and neck paraganglioma. Eur. J. Endocrinol. 2005; 152: 87-94
McWhinney, S.R., Pilarski, R.T., Forrester, S.R. et al. Large germline deletions of mitochondrial complex II subunits SDHB and SDHD in hereditary paraganglioma. J. Clin. Endocrinol. Metab. 2004; 89: 5694-5699
Mhatre, A.N., Li, Y., Feng, L. et al. SDHB, SDHC, and SDHD mutation screen in sporadic and familial head and neck paragangliomas. Clin. Genet. 2004; 66: 461-466
Neumann, H.P.H., Bausch, B., McWhinney, S.R. et al. Germ-line mutations in nonsyndromic pheochromocytoma. N. Engl. J. Med. 2002; 346: 1459-1466
Neumann, H.P.H., Pawlu, C., Peczkowska, M. et al. Distinct clinical features of paraganglioma syndromes associated with SDHB and SDHD gene mutations. JAMA 2004; 292-: 943-951
Pawlu, C., Bausch, B., Neumann, P.H. Mutations in the SDHB and SDHD genes. Fam. Cancer 2005; 4: 49-54
Renard, L., Godfraind, C., Boon, L.M. et al. A novel mutation in the SDHD gene in a family with inherited paragangliomas – implications of genetic diagnosis for follow-up and treatment. Head & Neck 2003; 25: 146-151
Taschner, P.E.M., Jansen, J.C., Baysal, B.E. Nearly all hereditary paragangliomas in the Netherlands are caused by two founder mutations in the SDHD gene. Genes, Chromosomes & Cancer 2001; 31: 274-281
Taschner, P.E.M., Bröcker-Vriends, A.H.J.T., van der Mey, A.G.L. Van gen naar ziekte; van SDHD, een defect in de ademhalingsketen, naar paragangliomen en feochromocytomen. Ned. Tijdschr. Geneeskd. 2002; 146: 2188-2190
Vanharanta, S., Buchta, M., McWhinney, S.R. et al. Early-onset renal cell carcinoma as a novel extraparaganglial component of SDHB-associated heritable paraganglioma. Am. J. Hum. Genet. 2004; 74: 153-159
Weinhausel, A., Behmel, A., Ponder, B.A. et al. Long-tern follow-up of a “sporadic” unilateral phaeochromocytoma revealing multiple encdocrine neoplasia MEN2A-2 in an elderly woman. Endocr. Pathol. 2003; 14: 375-382.