Een
overzicht van enkele erfelijke tumorsyndromen is weergegeven in
onderstaande tabel. Het overervingspatroon bij genoemde syndromen is steeds
autosomaal dominant, met uitzondering van de met MYH-mutaties
geassocieerde polyposis, die autosomaal recessief overerft. Bij
SDHD- mutaties is er sprake van maternale imprinting (zie bij
feochromocytoom en hoofd-hals paraganglioom).
|
Enkele erfelijke tumorsyndromen |
||
|
Voornaamste tumortype |
Voorbeelden van syndromen |
Genen |
|
Mammacarcinoom |
Erfelijke borst-/ eierstokkanker |
BRCA1, BRCA2 |
|
Cowden syndroom |
PTEN |
|
|
Li-Fraumeni syndroom |
TP53 |
|
|
Ovarium- en tubacarcinoom |
Erfelijke borst-/ eierstokkanker |
BRCA1, BRCA2 |
|
Lynch syndroom (hereditair nonpolyposis colorectaal carcinoom) |
MLH1, MSH2, MSH6 |
|
|
Colorectaal carcinoom |
Lynch syndroom (hereditair nonpolyposis colorectaal carcinoom) |
MLH1, MSH2, MSH6 |
|
Adenomateuze polyposis |
APC, MYH |
|
|
Peutz-Jeghers syndroom |
STK11 |
|
|
Endometriumcarcinoom |
Lynch syndroom (hereditair nonpolyposis colorectaal carcinoom) |
MSH6, MLH1, MSH2 |
|
Nierkanker |
Von Hippel-Lindau syndroom |
VHL |
|
Hereditair papillair niercelcarcinoom |
MET |
|
|
Birt-Hogg-Dubé syndroom |
FLCN |
|
|
Feochromocytoom |
Multipele endocriene neoplasie type 2 |
RET |
|
Von Hippel-Lindau syndroom |
VHL |
|
|
Neurofibromatose type 1 |
NF1 |
|
|
Hereditair paraganglioom/ feochromocyoom |
SDHD, SDHB, SDHC |
|
| Algemene aanwijzingen voor een erfelijke tumor* | |
| Kenmerken van de patiënt§ | |
|
Kenmerken |
Voorbeelden |
|
Jonge leeftijd van diagnose |
Borstkanker <
35 jaar |
|
Dubbelzijdige tumor |
Dubbelzijdige
borstkanker, de eerste tumor < 50 jaar |
|
Multipele tumoren en karakteristieke combinaties van tumoren |
Multipele
coloncarcinomen |
|
Tumor optredend bij het geslacht dat meestal niet is aangedaan |
Borstkanker bij een man & familiair voorkomen van borstkanker |
|
Associatie met congenitale afwijkingen |
Metastatisch
adenocarcinoom & lippigmentaties |
|
Zeldzame/ ongewone tumortypen |
Medullair
schildkliercarcinoom |
|
Bepaalde ethnische achtergrond |
Eierstokkanker & Ashkenazisch-joodse afkomst |
|
Kenmerken van de familie§ |
|
|
Kenmerken |
Voorbeelden |
|
Twee of meer naaste verwanten met dezelfde tumor |
Twee
broers en vader met darmkanker |
|
Twee of meer naaste verwanten met karakteristieke combinaties van tumoren |
Een broer
en zuster met respectievelijk darmkanker en
baarmoederkanker |
*gebaseerd op Mulvihill,
1989, Hampel et al., 2004
§ de adviesvrager kan zelf de patiënt met een tumor zijn of een
naaste verwant van de patiënt
# N.B. Bij borst- en eierstokkanker is ook de familie-anamnese van vaders
kant relevant; bij prostaatkanker is ook de familie-anamnese van moeders
kant relevant
| Criteria voor verwijzing naar de Polikliniek Familiaire Tumoren: borstkanker (B), eierstokkanker (O) |
|
Families met één patiënte met borstkanker |
|
B < 35 jaar# |
|
B bilateraal, één tumor < 50 jaar# |
|
B & een andere maligniteit |
|
Families met meer patiënten met borstkanker en andere tumoren* |
|
2 maal B, tenminste 1 < 50 jr of bilateraal# |
|
= 3 maal B |
|
B < 50 jaar en O |
|
B en een kindertumor |
|
B bij een man en B bij een vrouw |
|
Families met één patiënte met eierstokkanker |
| eventueel O <50 jaar# |
|
O & een andere maligniteit |
|
Families met meer patiënten met eierstokkanker en andere tumoren* |
|
= 2 maal O |
|
O & B < 50 jaar# |
|
O & darmkanker < 50 jr |
# indien
Ashkenazisch-joods: één patiënte met borstkanker < 40
jaar; alle bilaterale en familiaire gevallen van borstkanker, alle gevallen
van eierstokkanker
*eerstegraads via moeders zijde, eerste- of tweedegraads via vaders
zijde
| Criteria voor verwijzing naar de Polikliniek Familiaire Tumoren: darmkanker |
|
Families met één patiënt met darmkanker |
|
Darmkanker optredend op een leeftijd < 50 jaar |
|
Multipele “HNPCC”-tumoren* |
|
Typerende histologie# plus leeftijd bij diagnose < 60 jaar |
|
Darmkanker en > 10 adenomateuze poliepen§ |
|
Darmkanker en multipele hamartomateuze poliepen§ |
|
Darmkanker en multipele hyperplastische poliepen§ |
|
Families met meer patiënten met darmkanker en andere tumoren |
|
Darmkanker en daarbij tenminste één eerstegraads familielid met een HNPCC-tumor*, indien leeftijd bij diagnose < 50 jaar bij tenminste één van de patiënten |
Nagy, R., Sweet, K., Eng, C. Highly penetrant hereditary cancer syndromes. Oncogene 2004; 23: 6445-6470
Inleiding
DNA-diagnostiek
naar erfelijke aanleg voor tumoren wordt in principe aangevraagd door de
klinisch geneticus. De redenen voor dit beleid worden hieronder toegelicht.
Voor de regelgeving aangaande DNA-diagnostiek wordt verwezen naar het
rapport van de Gezondheidsraad, Commissie DNA-diagnostiek, 1998/11.
Achtergronden
Erfelijke
tumorsyndromen kunnen in twee groepen worden onderscheiden: 1) Erfelijke
tumorsyndromen met een voor erfelijke aanleg kenmerkend klinisch beeld.
Voorbeelden zijn adenomateuze polyposis van de dikke darm, Peutz-Jeghers
syndroom, 2) Erfelijke tumorsyndromen zonder kenmerkend klinisch beeld. Het
klinisch vermoeden op erfelijke aanleg kan worden bevestigd met
DNA-diagnostiek. Voorbeelden zijn erfelijke borstkanker en erfelijke
(nonpolyposis) darmkanker.
Er wordt als regel onderscheid gemaakt tussen diagnostisch onderzoek (bij de patiënt met een tumor) en presymptomatische ofwel voorspellende diagnostiek bij verwanten, nadat een pathogene mutatie bij de patiënt is gevonden. De redenen om niet alleen de voorspellende maar ook de diagnostische test naar erfelijke aanleg voor tumoren te laten plaatsvinden op aanvraag van de klinisch geneticus zijn:
Aanbevelingen voor
de klinische praktijk
Bij verdenking op een erfelijk tumorsyndroom is
overleg met en/ of verwijzing naar de klinisch geneticus aangewezen. Per
situatie kan worden besloten of DNA-diagnostiek wel of niet in aanmerking
komt. Meestal zal de indicatie voor DNA-diagnostiek worden gesteld nadat
binnen het centrum familiaire tumoren/ Klinische Genetica patiënt- en
familiegegevens zijn verzameld en na counselling van de patiënten/
familieleden. In sommige gevallen zal de aanvraag tot diagnostisch
DNA-onderzoek kunnen gebeuren zonder eerst verwijzing naar de geneticus,
dan als regel na multidisciplinair overleg met de klinisch geneticus als
consulent.