Jouw lichaam maakt zelf geen insuline meer. Die insuline
heb je wel nodig. Daarom moet de diabetes behandeld worden met
insuline.
Jammer genoeg bestaan er geen insuline-pilletjes of insuline-drankjes.
Insuline moet je inspuiten, net onder de huid. Dat kan in je bil, het
bovenbeen of je buik.
Je moet één, twee, drie of vier keer per dag insuline
spuiten, of je krijgt insuline via een insulinepomp. Het is niet zo dat
vaker op een dag spuiten, betekent dat je diabetes erger is.
Een insulinepomp is een apparaatje wat je 24 uur per dag
bij je draagt. In de pomp gaat insuline, meestal snelwerkende
insuline.
Maar nu moet die insuline nog wel in jouw lichaam komen.
Je plaatst een naaldje in je buik of bil. Aan dat naaldje komt een
slangetje en dat slangetje zit weer aan de pomp vast. Zo komt de insuline
in je lichaam.
Als je geen diabetes hebt, geeft de alvleesklier voortdurend kleine beetjes
insuline af. Als je koolhydraten gaat eten, maakt de alvleesklier
extra insuline. De pomp lijkt een beetje op de gezonde alvleesklier. Hij
geeft ook kleine beetjes insuline af (dat heet de basale stand) en als je
koolhydraten eet, moet je wat extra geven. Dat noemen we een
maaltijdbolus.
Het is natuurlijk niet zo dat die pomp kan nadenken en daardoor jouw
diabetes wel even regelt. Helaas! Je moet zelf de insulinepomp instellen,
bedienen en bijstellen. Dat bijstellen is afhankelijk van de bloedglucose
die je hebt gemeten.
Je begrijpt dat je dat eerst moet leren. Meestal heb je drie maanden nodig
om alles onder de knie te krijgen voor dat je echt overgaat op de
insulinepomp.
Allereerst is motivatie erg belangrijk. Jij en eventueel
je ouders (dat is afhankelijk van jouw leeftijd) moeten het zelf willen.
Natuurlijk moet het behandelteam er ook achterstaan.
Er zijn meerdere redenen om over te gaan van spuiten met de insulinepen,
naar de insulinepomp. Zo kan het zijn dat je problemen houdt met je
diabetesinstelling ondanks een intensief insulineschema en intensieve
zelfcontrole, je bloedglucosewaarden kunnen dagelijks te sterk wisselen, je
kunt last hebben van ernstige (nachtelijke) hypoglycaemiëen (te lage
bloedglucosewaarden), maar het kan ook zo zijn dat je bloedglucose in
de ochtend steeds stijgt. Wil je meer weten over insulinepompbehandeling,
vraag het aan iemand van je behandelteam.
Insuline verlaagt je bloedglucose. Als je geen diabetes
hebt weet je alvleesklier precies wanneer en hoeveel insuline er gemaakt
moet worden. Je lichaam regelt dat zelf. Als je diabetes hebt moet jij het
regelen.
Met behulp van een bloedglucosemeter meet je de bloedglucosewaarden (de
hoeveelheid glucose in je bloed). Er zijn een heleboel dingen die invloed
hebben op je bloedglucosewaarden; insuline, voeding, beweging zoals sport.
Maar ook zenuwachtig, boos of ziek zijn, hebben invloed op je
bloedglucose.
Om je diabetes goed te kunnen regelen zal je regelmatig je bloedglucose
moeten meten om te weten hoeveel insuline je nodig hebt.
De glucosesensor meet iedere vijf minuten een
bloedglucose gedurende drie dagen.
De sensor wordt in je bil of buik geplaatst, en is verbonden met een
kabeltje aan een apparaatje, dat je bij je draagt. Daarbij moet je wel je
bloedglucose blijven meten. Je wordt geleerd hoe je het apparaat moet
bedienen. Verder is het belangrijk om een uitgebreid dagboek bij te houden,
met niet alleen je bloedglucosewaarden maar ook met wat je hebt gegeten en
gedaan, bijvoorbeeld als je hebt gesport. Na die drie dagen haal je de
sensor uit je bil of buik. Het ingevulde dagboek en het apparaat lever je
in en wordt uitgelezen in het ziekenhuis. De uitslag wordt later met je
besproken.