Je neemt een hap brood. Je kauwt het fijn en slikt het door. De fijngekauwde boterham komt in je buik (maag) en gaat daarna naar je darmen. In een boterham zitten onder andere koolhydraten. Koolhydraten zijn een soort suiker, we noemen suiker ook wel glucose. Deze glucose komt in je bloed. En dan?
De glucose moet in de cellen van je lichaam komen. Glucose heb je nodig voor energie, om te kunnen bewegen, spelen en groeien. Eigenlijk net als een auto benzine (energie) nodig heeft om te kunnen rijden.
Hoe komt die glucose nou in je cellen? Dat gaat niet van
zelf. De celdeurtjes zijn op 'slot'. Je hebt daarvoor insuline nodig.
Insuline werkt als een soort sleutel die de deurtjes van de cellen open
maakt. De glucose kan dan naar binnen. Insuline wordt gemaakt in de
alvleesklier, een orgaan in je buik (zie plaatje). Je alvleesklier weet
precies wanneer en hoeveel insuline er gemaakt moet worden. Komt er glucose
in het bloed (denk aan die boterham) dan gaat de alvleesklier aan het werk
door insuline te maken. De celdeurtjes gaan open en de glucose kan naar
binnen.
Op het plaatje staat ook de lever getekend. De lever is onder andere de
opslagplaats van glucose. Als de cellen genoeg glucose hebben, gaat de rest
van de glucose naar de lever, een reserve opslagplaats.