Radiofrequente ablatie ook wel warmtetherapie genoemd is een techniek waarbij de radioloog met behulp van een speciale RFA naald een tumor aanprikt. Er wordt een snelle wisselstroom tussen verschillende electrodes aangelegd, waardoor de afwijking met een veilige marge rondom wordt verbrand.
Met behulp van verschillende beeldvormingstechnieken zoals echografie of computed tomography (CT) wordt eerst de optimale route bepaald waarna een speciale meestal ontplooibare naald in de tumor wordt geplaatst. In het VUmc hebben we veel ervaring met RFA van kwaadaardige tumoren van lever en long, hoewel ook afwijkingen in de nieren en het skelet in uitzonderlijke gevallen in aanmerking kunnen komen voor RFA.
De procedure wordt in het VUmc in principe altijd onder algehele narcose uitgevoerd. Er zijn voor de lever twee benaderingswijzen namelijk peroperatief (dus met een operatie waarbij de chirurg de lever eerst losmaakt van de huid en omgevende organen waarna de radioloog echogeleid de RFA uitvoert) en percutaan (prikje door de huid zonder operatie, met behulp van CT scanner). RFA van afwijkingen in de long geschiedt altijd percutaan met behulp van de CT.
Of een patient in aanmerking komt voor RFA wordt pas besloten na een uitvoerige evaluatie en een bespreking waarbij altijd meerdere specialismen betrokken zijn.
TACE (transarteriele chemo-embolisatie) is een methode waarbij de radioloog een tumor in de lever probeert te vernietigen door zowel de bloedtoevoer naar de tumor af te sluiten, als door zeer lokaal in de tumor chemotherapie te geven. Nadat een slagader in de lies is aangeprikt, wordt een dun slangetje langs de lichaamsslagader (aorta) tot in de lever geplaatst. Vervolgens wordt door dit slangetje een nog dunner slangetje opgevoerd tot in de slagader welke de tumor voorziet van zuurstof en voedingsstoffen. Hierdoor worden microscopisch kleine bolletjes, welke van te voren gevuld zijn met medicijnen tegen de kanker (chemotherapie), geinjecteerd. De bolletjes blijven steken in de kleine slagaderen van de tumor. Zodoende krijgen de kankercellen niet alleen geen zuur- en voedingsstoffen meer, maar komt ook de chemotherapie langzaam vrij uit de bolletjes om de kankercellen te doden.
Procedure waarbij de radioloog een poortader in de lever aanprikt waarna langs een dun slangetje de aderen van ofwel de linker ofwel de rechter leverkwab worden afgesloten door het inbrengen van microscopisch kleine partikels en metalen draadjes (coils). Het doel hiervan is om de niet behandelde “gezonde” leverkwab te laten groeien zodat patient enkele weken/maanden later in aanmerking komt voor een uitgebreide operatie waarbij een groot deel van de lever, met hierin kwaadaardige tumor(en), wordt weggesneden. Er moet immers voldoende gezond leverweefsel overblijven.
Het woord 'dotteren' komt van Charles Dotter, een Amerikaanse radioloog, die in 1974 als eerste met behulp van katheters vernauwingen in slagaders van benen wist op te heffen. Sindsdien worden alle katheterbehandelingen voor bloedvatvernauwing met een ballon doorgaans met 'dotteren' aangeduid worden. Percutane Transluminale Angioplastiek (PTA) oftewel 'dotteren' is het oprekken van een vernauwing in een bloedvat met behulp van een ballonkatheter. Na verdoving van de huid wordt een voerdraad (katheter) in een slagader (meestal in de lies) opgeschoven. Vervolgens wordt contrastvloeistof ingespoten en worden röntgenfoto's gemaakt om de plaats van de vernauwing op te sporen. Aan het uiteinde van de katheter zit een niet-opgeblazen langgerekt ballonnetje. De katheter wordt in de slagader geschoven, tot de ballon zich in het vernauwde gedeelte van het bloedvat bevindt. Dan wordt de ballon opgeblazen met behulp van vloeistof, waardoor de vaatwand ter hoogte van de vernauwing wordt opgerekt. Na de behandeling wordt ter controle nog een angiografie gemaakt. Het voordeel van een PTA is, dat de ingreep in plaatselijke verdoving kan worden uitgevoerd, u hoeft dus niet onder algehele narcose. Er zijn minder risico's dan bij een operatie en de kans op ernstige complicaties na de behandeling is gering.
Een stentbehandeling wordt op dezelfde manier uitgevoerd als een dotterbehandeling. Een stent is een klein cilindertje van gaas, metaal of kunststof. Het is te vergelijken met het veertje dat in een ballpoint zit. De stent wordt via een katheterisatie in de ader gebracht. De radioloog kan kiezen uit twee soorten hulpmiddelen: een stent die met een ballon wordt opgerekt tot de juiste maat of een stent die uit zichzelf de juiste maat aanneemt. Bij een adervernauwing heeft de stent als doel het vat op te rekken en zo de aderkalk blijvend weg te drukken achter het metaal. In geval van een bloeding of een sterk verwijde slagader (aneurysma) welke zou kunnen knappen heeft de (dan natuurlijk beklede) stent (ook wel gecoverde stent of endoprothese genoemd) als doel een eventuele bloeding te stoppen of te voorkomen.
Behandeling waarbij de radioloog een dun slangetje (katheter) in een ader of slagader plaatst welke is afgesloten door de aanwezigheid van een bloedprop of stolsels (thrombus). Door deze katheter worden krachtige medicijnen toegediend welke de stolsels oplossen (bijvoorbeeld urokinase). Dit kan enkele dagen duren, waarbij iedere dag gecontroleerd wordt of de bloedklonter kleiner geworden is. Ook is het mogelijk dat met een speciale katheter de bloedprop actief wordt opgezogen (manueel of met behulp van een speciaal hiervoor ontwikkeld apparaat), dit wordt ook wel "trombosuctie" genoemd.
Een embolisatie is het afsluiten van een vat(en) of vasculaire structuur door middel van een coil (soort metaaldraadje), speciale vloeistof of andere materialen. Deze materialen worden door de radioloog ingebracht langs dunne katheters via een (slag)ader (vaak vanuit de lies). Als gevolg van de embolisatie sterven de (slag)aderen af, wordt een bloeding tot staan gebracht of wordt voorkomen dat een vaatafwijking (bijvoorbeeld aneurysma, AVM of AV-fistel) knapt en gaat bloeden.
Na lokale verdoving prikt de radioloog met behulp van een echotoestel het nierbekken aan met een dunne naald. Door deze naald wordt een draad ingebracht waarover uiteindelijk een zogenaamde nefrodrain of nefrostomiekatheter wordt opgeschoven. Dit is een slangetje welke met een krul in het nierbekken ligt zodat de urine, welke om wat voor reden dan ook niet goed naar de blaas loopt, naar buiten kan aflopen. Indien de drain langdurig moet blijven zitten, dient deze om de 8-10 weken vervangen te worden om een infectie te voorkomen.
Galwegdrain: Na lokale verdoving en onder een licht roesje prikt de radioloog met behulp van een echotoestel een galweg in de lever aan. Door deze naald wordt een draadje ingebracht tot in de hoofdgalwegen waarover uiteindelijk een zogenaamde galwegdrain wordt opgeschoven. In veel gevallen zal na enige tijd gepoogd worden om de slang verder in te brengen tot in de 12-vingerige darm waarna ofwel een zogenaamde in-uitwendige drain (slangetje waarbij de gal welke in de lever is gemaakt zowel naar de 12-vingerige darm als naar buiten kan aflopen) ofwel een stent geplaatst wordt (klein cilindertje welke de hoofdgalweg open houdt).
Galblaasdrain: Na lokale verdoving wordt de waarschijnlijk ontstoken galblaas direkt aangeprikt waarna over een draad een slangetje met zijgaten (drain) geplaatst wordt. Dit heeft als doel de ontstoken gal uit de galblaas naar buiten af te laten lopen.
F.G. van den Berg
R.J. Lelij
M.R. Meijerink
B.B. van der Meijs
M.L.P. van de Oever
