Nadat de diagnose genderidentiteitsstoornis door het genderteam is
vastgesteld, worden adolescenten doorverwezen naar de kinderarts. De
kinderarts bepaalt door middel van lichamelijk- en bloedonderzoek of zij al
dan niet in de puberteit zijn. Puberteitsremmende medicatie wordt
voorgeschreven zodra de adolescent minimaal 12 jaar oud is en de puberteit
is begonnen. De puberteitsremmende medicatie wordt elke 4 weken
gegeven door middel van een prik onder de huid (of in de spier). Deze prik
kan door uw huisarts gezet worden.
De puberteitsremmende medicatie zorgt voor onderdrukking van de eigen
puberteitsontwikkeling door de klier in de hersenen (de hypofyse) die de
centrale aansturing voor de puberteit vormt, ongevoelig te maken voor
signalen uit de hoger gelegen hersendelen.
Deze behandeling is geheel omkeerbaar, zodra de medicatie gestopt wordt zal
de puberteitsontwikkeling weer op gang komen. De puberteitsremmende
medicatie wordt voorgeschreven om zo te voorkomen dat de secundaire
geslachtskenmerken van het biologisch geslacht (bijvoorbeeld
borstontwikkeling bij meisjes en een lage stem bij jongens) zich verder
ontwikkelen.