Als een onderzoeker een dierproef wil doen, dan mag dat niet zomaar. Hij of zij moet daarvoor eerst toestemming krijgen van de dierexperimentencommissie (DEC). De DEC beoordeelt of het belang van het onderzoek opweegt tegen het gebruik van het benodigde aantal dieren, en het ongerief waarmee de dieren tijdens de proef te maken krijgen.
Voordat een onderzoeker al dan niet toestemming krijgt om de dierproef te doen, moet er het een en ander gebeuren. Het begint met het formuleren van de vraagstelling van het onderzoek. Wat wil de onderzoeker precies uitzoeken? (In de praktijk van wetenschappelijk onderzoek komt de vraag voort uit een onderzoekshypothese, die weer is gebaseerd op voorafgaand onderzoek en/of op publicaties van andere wetenschappers.)
Als de onderzoeksvraag duidelijk is, moet de onderzoeker eerst uitzoeken of voor het beantwoorden ervan echt een dierproef noodzakelijk is. Misschien is het bijvoorbeeld mogelijk om de vraag te beantwoorden met onderzoek in vitro, aan een gekweekte cellijn. Als er een dergelijk alternatief voor een dierproef bestaat, mag de onderzoeker geen dierproef doen. (Dit staat in de Wet op de dierproeven, artikel 10.1a.) Er is dan sprake van “vervanging”. In dat geval wordt het onderzoek dus niet eens aan de DEC aangeboden, aangezien er geen sprake is van een dierproef.
Als er echter geen vervanging mogelijk is, zal de onderzoeker een dierproef moeten doen om de onderzoeksvraag te beantwoorden. Hij of zij moet dan de meest geschikte proefopzet bedenken. Hierbij komen twee andere vormen van alternatieven in het spel, namelijk “vermindering” en “verfijning”. Ook deze alternatieven zijn bij wet verplicht. Vermindering houdt in dat de onderzoeker verplicht is om te kiezen voor een dierproef waarbij zo min mogelijk dieren nodig zijn. Verfijning houdt in dat de onderzoeker de proef zo moet opzetten dat de dieren zo min mogelijk pijn of ander ongerief ervaren.
Als de onderzoeker de optimale proefopzet voor de dierproef heeft bedacht, moet deze in detail worden opgeschreven, zodat de DEC de dierproef kan beoordelen. De onderzoeker gebruikt hiervoor een speciaal formulier. In het formulier staat onder andere beschreven wat het doel van de dierproef is, waarom vervanging niet mogelijk is, hoeveel dieren er nodig zijn, wat er met de dieren gebeurt, welke mate van ongerief voor de dieren wordt verwacht, wat de belangen van het onderzoek zijn, en nog vele andere details.
Het formulier kan echter nog niet naar de DEC. Eerst moet het worden beoordeeld en goedgekeurd door de wetenschapscommissie. De wetenschapscommissie kijkt specifiek naar de vraagstelling en de proefopzet van het onderzoek. Centrale vragen daarbij zijn: Is de onderzoekshypothese wetenschappelijk relevant en up-to-date? Geeft de voorgestelde dierproef een antwoord op de onderzoeksvraag? Met andere woorden, is het onderzoek van goede wetenschappelijke kwaliteit?
Als de wetenschapscommissie het onderzoek heeft goedgekeurd, stuurt de onderzoeker het formulier naar de DEC. De DEC en de proefdierdeskundige bespreken het onderzoeksvoorstel vervolgens gezamenlijk. Het is de DEC die uiteindelijk een afweging moet maken, maar de proefdierdeskundige speelt als inhoudsdeskundige een grote rol en adviseert de DEC over de technische en proefdierkundige kanten van de dierproef.
Bij de behandeling van het onderzoeksvoorstel let de DEC onder andere op de volgende zaken:
Daarnaast let de DEC nog op diverse administratieve zaken, zoals de bevoegdheid van de onderzoeker en andere betrokkenen bij de dierproef.
Zoals uit bovenstaande opsomming al blijkt, verwerkt de DEC veel informatie bij de behandeling van een onderzoeksvoorstel. Een deel daarvan zou beschouwd kunnen worden als een soort kwaliteitscontrole: als niet aan alle gestelde eisen wordt voldaan, mag de dierproef sowieso niet worden uitgevoerd. De hoofdtaak van de DEC is echter het maken van een afweging. De commissie moet beoordelen of het belang van het onderzoek opweegt tegen het gebruik van het benodigde aantal dieren en het verwachte ongerief.
Bij de afweging maakt de DEC gebruik van een soort denkbeeldige weegschaal of balans. Om ernstig(er) ongerief en/of relatief grote(re) aantallen proefdieren te kunnen rechtvaardigen, moeten de wetenschappelijke en maatschappelijke belangen van de dierproef ook zwaarder wegen. Zo valt bij een dierproef die gericht is op het ontwikkelen of verbeteren van de behandeling voor een ernstige ziekte meer ongerief te rechtvaardigen dan bij een dierproef voor fundamenteel onderzoek zonder direct aanwijsbare maatschappelijke relevantie.
Als de DEC van mening is dat de belangen de dierproef rechtvaardigen, geeft de commissie een zogenaamd "positief advies". Met dit advies krijgt de onderzoeker van de vergunninghouder toestemming om de dierproef uit te voeren. Als dat nodig is kunnen bij een advies ook extra voorwaarden worden gesteld, waaraan de onderzoeker zich moet houden.
Als de DEC van mening is dat de belangen de dierproef niet rechtvaardigen, kan de commissie in principe een negatief advies geven. In de praktijk komt dit echter zelden of nooit voor. De reden daarvoor is niet dat de DEC niet kritisch is, maar simpelweg dat het onderzoek dat bij de DEC wordt aangemeld van voldoende groot belang is. Dat is op zich natuurlijk niet vreemd, als je bedenkt dat er tegenwoordig in Nederland eigenlijk alleen nog geld wordt uitgegeven aan hoogwaardig onderzoek met een duidelijke maatschappelijke en/of wetenschappelijke relevantie.
Verder is het zeker niet zo dat ieder onderzoeksvoorstel direct wordt goedgekeurd. In de praktijk worden over de meeste onderzoeksvoorstellen vragen gesteld aan de onderzoeker, of suggesties voor aanpassingen aan de proefopzet gedaan. Pas als de DEC en de proefdierdeskundige er van overtuigd zijn dat alle benodigde informatie beschikbaar is en dat de proefopzet voor de dierproef absoluut optimaal is, zal de commissie een advies geven.
De samenstelling en werkwijze van de DEC zijn bij wet vastgelegd. De DEC bestaat uit tenminste zeven leden. Drie leden, onder wie de voorzitter, zijn niet in dienst van de vergunninghouder (in dit geval de VU of VUmc). Op deze wijze wordt de onafhankelijkheid van de commissie gewaarborgd.
De DEC bestaat uit personen die deskundig zijn op één of meerdere van de volgende gebieden:
Bij de vergaderingen van de DEC zijn verder de proefdierdeskundige en de ambtelijk secretaris van de DEC aanwezig. Zij hebben geen stem in de adviezen van de DEC, maar ondersteunen alleen de commissie.
De DEC maakt ieder jaar een verslag van de werkzaamheden in het voorafgaande jaar en stuurt dat naar de Minister van VWS en de vergunninghouder (VU/VUmc).
Onderaan deze pagina kunt u de jaarverslagen down loaden.