Betrokken en zorgvuldig - Kennis maakt ons beter

De definitie van Sarcopenie

Promovendi aan het woord

In deze rubriek wordt een promovendus ondervraagd over zijn of haar onderzoek. Astrid Bijlsma vertelt over haar onderzoek naar de definitie van sarcopenie.

Wat heb je precies onderzocht ?
Ik heb onderzoek gedaan naar de definitie van sarcopenie. Het is een raadsel waarom mensen zoveel spiermassa verliezen tijdens het verouderen. Om het verlies van spiermassa te kunnen onderzoeken is een goede definitie nodig. Sarcopenie is de term die in 1988 werd geÔntroduceerd door Rosenberg om een naam te geven aan de lage spiermassa van ouderen. Sindsdien zijn er vele criteria voorgesteld om sarcopenie te definiŽren. Ik heb deze diagnostische criteria vergeleken en gekeken welke methode het meest klinisch relevant is.

Wat zijn, volgens jou, de belangrijkste resultaten/ kernboodschappen?
Ik ben erachter gekomen dat de verschillende criteria om sarcopenie vast te stellen absoluut niet met elkaar te vergelijken zijn. Als twee artikelen over sarcopenie worden vergeleken waarin verschillende criteria worden gebruikt, worden er dus 'appels met peren' vergeleken. Ik ben van mening dat de term sarcopenie alleen moet worden gebruikt om een lage spiermassa te beschrijven en niet voor de beschrijving van spierkracht of loopsnelheid.
Uit mijn onderzoek is ook gebleken dat de hoeveelheid spiermassa die een oudere persoon heeft voorspellend is voor zijn dagelijks functioneren, toxiciteit van medicatie, glucosegevoeligheid en botdichtheid.

Wat betekent dit voor de praktijk?
Er zouden uniforme richtlijnen moeten komen voor hoe spiermassa het beste kan worden bepaald. Ook blijkt uit mijn onderzoek dat de hoeveelheid spiermassa een goede indicator is voor de fitheid van de oudere patiŽnt. Deze hoeveelheid aan spiermassa zou dan ook als risicoschatter voor het optreden van co-morbiditeit en mortaliteit gebruikt kunnen worden. Uit verder onderzoek moet nog blijken of het vergroten van spiermassa door interventies de risico's op co-morbiteit en mortaliteit kan verkleinen. Voor de toekomst zie ik voor me dat bij iedere oudere patiŽnt een meting van de hoeveelheid spiermassa leidt tot individuele medicatiedoseringen en dat het vaststellen van een lage spiermassa als indicatie wordt gebruikt voor het verhogen van de spiermassa en de fitheid.

Wat heeft je het meeste verrast in je onderzoek?
Mij heeft het meest verrast hoe slecht de overlap is tussen de verschillende criteria voor sarcopenie. In een cohortstudie met 654 ouderen hadden 218 deelnemers sarcopenie in tenminste ťťn van de zeven geteste diagnostische criteria. Maar de overlap tussen de criteria was zo slecht dat er maar ťťn persoon overbleef met sarcopenie in alle criteria.

Terugkijkend op de afgelopen jaren; zou je iets anders hebben gedaan?
Ik ben erg tevreden over hoe mijn driejarige promotietraject is gelopen. Ik kon met een vliegende start beginnen en hierdoor heb ik in het eerste jaar alle benodigde deelnemers in mijn studie kunnen includeren. Daarna had ik nog twee jaar om een database te maken en mijn artikelen te schrijven.
Ik ben verbonden aan een Europees project en heb nauw samengewerkt met andere Europese landen. Dit liep dit niet altijd even soepel, maar maakte het wel interessant en leerzaam op meerdere gebieden. Hiernaast had ik de mogelijkheid om verschillende cursussen in de epidemiologie te doen, wat het schrijven van de artikelen makkelijker maakte.
Wat ik beter had kunnen doen, was me minder druk maken. Ik wilde absoluut klaar zijn met mijn promotie voordat ik weer de patiŽntenzorg inging. Gelukkig is dit ook gelukt, maar het had ook gekund met een stuk minder onnodige stress.


Astrid Bijlsma promoveerd op 20 juni 2013.
Het Amsterdam Center on Aging organiseerd die ochtend een symmposium over Sarcopenie specifiek voor mensen met een niet-medische achtergrond. Kijk voor meer informatie op https://www.vumc.nl/afdelingen/Amsterdam-Center-on-Aging/Agenda/SymposiumSarcopenie/


 

printen