Column Sasja Janssen

Ik heb er veel gezien, spreekkamers.
Soms leken ze op een huiskamer met visgraat parket, vazen met wuivende papavers, niet te onderscheiden van echt, en linnen doeken met afbeeldingen van bloemen, stenen en boeddha's tegen leigrijze muren. Ook deden ze af en toe denken aan woonkamers uit een vakantiehuisje, zonder zwembad bij de hand. Opvallend vaak waren ze lelijk, het licht blauwkoud, de meubels en muren losgeweekt van de mensen, die er moesten zijn.

Ik heb er veel gesprekken gevoerd.
Met huisartsen, psychologen, fysiotherapeuten, burn-outkenners, psychiaters, oncologen, chirurgen, keuringsartsen, verzekeringsartsen. Een enkele keer was het gesprek van eenzaam hoge kwaliteit, vaker functioneel, persoonlijk, functioneel en persoonlijk. Ze konden me verwarren, maar waren zelden naar, al zaten die er ook tussen.

Wist ik wel dat dat betekende, psychosomatisch, beet een oververmoeide huisarts me toe toen ik studente was, en ik vertaalde de Oud-Griekse woorden. Wist ik wel dat bonsaibomen kweken de enige functie was die er overbleef met mijn beperkingen door de ziekte van Hashimoto en de depressie die zich als een zwart dier aan me vastklampte? Ik koop ze op de bloemenmarkt, voor mijn lessen gedichten schrijven: een bonsaiboompje als aanjager voor een oefening in automatisch schrijven, écriture automatique, naar een techniek die de surrealisten gebruikten.

Volgens het boerenverstand, dat ik ook ergens heb liggen, gebruik ik voor een goed gesprek LSD, kan OMA beter thuisblijven maar mag ANNA mee, is DIK niet verkeerd en NIVEA onontbeerlijk. Geef mij maar een bonsaiboom, met haast stilstaand blad, of een fiere cactus. Een cactus, zoals Theo van Gogh zijn geïnterviewden na afloop van het prettig gesprek gaf. Met het dringende verzoek de cactus te kussen. Aan die kus alleen al is veel af te lezen. Maar om een arts en patiënt daarmee op te zadelen moet je toch vooral dichter zijn, niet?

En u dan, heeft u pijn bij het vrijen, heeft u last van verlatingsangst, heeft u trouwens kinderen, wilt u ook wel eens van een gebouw springen, welk gebouw, wat doet uw man voor werk, uw lievelingskleur, getal? Die van mij de zes. De zes is het kleinste voorbeeld van een perfect getal, de elkaar opeenvolgende getallen zijn samen opgeteld het getal zelf, het is de hoogste worp van een dobbelsteen, een honinggraat bestaat uit zeshoekige cellen, de zes is de beschermer van de zwakkeren en in de kleurcode voor elektronische componenten is de zes blauw, mijn lievelingskleur, en ik ben op zes mei geboren. En ja, dat laatste heb ik van mijn vader en moeder, en niet van Wikipedia.

Een gesprek met een arts is geen natuurlijke dialoog. Ik onderdruk mijn neiging wedervragen te stellen, en als ik ze stel, blijft de arts in haar of zijn stolp. Dat heet professionaliteit. Dat weet ik, dat begrijp ik, dat respecteer ik. Het gaat al onvergelijkelijk veel beter dan in de vorige eeuw waarin mijn grootouders stierven. De minister van Volksgezondheid, Sport en Welzijn is met dichter en schrijver Bart Chabot de campagne begonnen 'Samen beslissen in ziekenhuizen'; betere zorg begint met een goed gesprek, een parool dat iedereen onderschrijft. We kijken niet meer huizenhoog op tegen een arts, we hebben internet, zijn beter opgeleid, we stellen (meestal helaas) onze eigen diagnose en ongevraagd die van anderen, we zijn assertiever dan ooit, en op de radio hoor je spotjes, die ons aanzetten het gesprek in de spreekkamer op te nemen, zodat je thuis alles rustig kunt nahoren. Tevens uitzending gemist voor familie en vrienden.

Hoe standvastig was ik? Wist ik honderd procent zeker, meer dan honderd procent zeker, dat ik naast mijn zieke borst ook de gezonde wilde laten wegsnijden? Dan konden ze net zo goed meteen een long weghalen, had ik daaraan gedacht? Natuurlijk speelden ze advocaat van de duivel, legden ze me het vuur aan de schenen. En al wist ik duizend procent zeker dat er geen implantaat bij me inkwam, volgens het protocol moest ik toch even bij de plastisch chirurge langs. Ze kneep kort in mijn heupen en rug waar te weinig vet zat om bij spijt later toch nog mee uit de borsten te kunnen. Ik grinnikte, omdat ik me ineens een dichtregel uit mijn tweede bundel herinnerde, een gedicht waaraan ik jaren niet had gedacht, dat 'In voorbereiding' heet en waarvan de eerste regel bovenkwam: 'Voor vanavond: borsten klaarleggen, stijfsel niet nodig'. Mijn gemoed klaarde op.

Hoe goed deed ik het zelf? In die gesprekken? Aan empathie en aandacht lag het niet. Van mijn kant, van hun kant. Mijn oncologe mocht ik zoveel bellen, sms'n of mailen als ik wilde, meestal kreeg ik per direct antwoord. Ik herinner me de zachte woorden van de hoogzwangere chirurge vlak voor ik door de narcose in mijn schouders viel. Wat miste ik dan?

Het gaat me om één moment. Het moment waarop de statistische gegevens statisch bleven, het glas tussen mij en de arts dikker werd, de kale wetenschap dat mijn borsten, die ik steevast 'die borsten' noemde om afstand te scheppen tussen mijn lichaam en identiteit, toch echt míjn borsten waren, en niet die van de arts. Mijn kanker, mijn kanker. En al waren we samen een eind gekomen, ik voelde me alleen met mijn laatste beslissing. Ik weet dat een arts geen absolute zekerheid kan geven, hij of zij mag best meer uit die stolp komen, voor ogen houden dat de rollen omkeerbaar zijn, dat een arts eerst een mens is, en dan pas een beroep. Dat ik niet alleen, om Hermans uit Nooit meer slapen te citeren: 'altijd en in alles weerloos, machteloos en vervangbaar als een atoom ben'.

Ik ben blij met de moeite die de oncologe en ik ons getroost hebben, blij met het mooie litteken, met mijn invalborst, die eruitziet als een kleine, roze rog, en iedere nacht naast mij in een speciaal daartoe vervaardigd eveneens roze hoedendoosje ligt, ook handig voor op reis, een vakantie in een huisje in de Ardennen of aan de Moezel, daar wil ik vanaf zijn. Na een duik in het zwembad een prettig gesprek bij verwarming of open haard.


printen