HSMR 2015 en SMR’s 2013-2015

Sterftecijfers VUmc

Uit onderzoek van Dutch Hospital Data (DHD) blijkt dat VUmc in 2015 een gestandaardiseerd sterftecijfer (HSMR) van 116 heeft met een betrouwbaarheidsinterval van 106 - 126. De HSMR in 2015 is licht gedaald ten opzichte van 2014. De gemiddelde HSMR (hospital standardised mortality ratio) van VUmc voor de jaren 2013 - 2015 bedraagt 114 (betrouwbaarheidsinterval 108 - 119). Deze gestandaardiseerde cijfers zijn gecorrigeerd voor het patiëntenprofiel, zoals bijvoorbeeld de leeftijd van de patiënt, en of de patiënt ook andere ziekten heeft (co-morbiditeit).

De HSMR is gebaseerd op de sterfte aan 157 diagnosegroepen/ziektebeelden, variërend van slokdarmkanker tot urineweginfecties. De sterftecijfers voor enkele ziektebeelden (SMR's), in de tabel hieronder gegroepeerd per diagnosegroep, zijn in VUmc statistisch significant hoger dan het landelijke gemiddelde (= 100). Voor 2013 - 2015 betrof dit de volgende ziektebeelden: Leukemie, Diabetes mellitus met complicaties, Hartstilstand en ventrikelfibrilleren, Acute cerebrovasculaire aandoening, COPD en bronchiëctasie en Prematuriteit (laag geboortegewicht). Deze zijn in de tabel rood gemarkeerd.

Er is veel discussie over de waarde en de kwaliteit van de HSMR en van SMR-cijfers onder andere omdat registratiemethoden per ziekenhuis verschillen, bijvoorbeeld in registratiewijze van aanwezige comorbiditeit. Op basis van alleen deze cijfers is het dan ook lastig om ziekenhuizen met elkaar te vergelijken. Voor een goed beeld moet daarvoor ook worden gekeken naar andere indicatoren zoals opnameduur en aantal heropnames. Verder is bekend dat de standaardisatie van de sterftecijfers niet perfect is en dat wellicht voor de ziekenhuizen die topreferente zorg (3e-lijnsgeneeskunde) leveren, zoals VUmc, de correcties die het rekenmodel toepast voor variaties in de ernst van de ziekte waarmee een patiënt wordt opgenomen, ontoereikend zijn. De sterftecijfers worden immers vergeleken met de sterfte in alle andere ziekenhuizen en niet specifiek met de sterfte in die ziekenhuizen die net als VUmc gespecialiseerd zijn in topreferente zorg zoals traumazorg of waarheen de ernstigst-zieke patiënten worden verwezen.

VUmc heeft al langere tijd geleden een commissie ingesteld die gestructureerd de oorzaken van sterfte bij een deel van de in het ziekenhuis overleden patiënten onderzoekt. Deze Dossiercommissie, bestaande uit onafhankelijke externe onderzoekers, heeft inmiddels alle dossiers onderzocht van de patiënten die in 2015 aan de 6 hierboven genoemde ziektebeelden zijn overleden. Het doel was te onderzoeken of er, zoals de significant verhoogde SMR's suggereren, wellicht sprake was van behandeling-gerelateerde significante oversterfte waarvoor verbeteringen in de zorg mogelijk zouden kunnen zijn. Het onderzoek door de dossiercommissie gaf geen verklaring voor de significant verhoogde SMR's. Wel bleek bij een enkele patiënt dat de zorg beter had gekund. Die bevindingen zullen met betrokken artsen worden gedeeld om zo zorgverbetering na te streven of kunnen zelfs aanleiding zijn voor ziekenhuisbrede aanpassingen.

Vorig jaar toonde een dergelijk dossieronderzoek dat de hogere SMR bij leukemiepatiënten mogelijk verklaard kan worden doordat de afdeling hematologie van VUmc relatief veel acute leukemiepatiënten met een zeer slechte prognose heeft behandeld. Verder bleek dat de patiënten met COPD en bronchiëctasie veel zieker waren dan dat op basis van een landelijk gemiddelde bij een ziekenhuisopname kan worden verwacht. Omdat er in 2015 geen verandering van zorgprofiel van deze 2 groepen patiënten in VUmc heeft plaats gevonden, zijn de dossiers van deze 2 patiëntgroepen niet opnieuw onderzocht. Bij het huidige door de dossiercommissie uitgevoerde onderzoek bleek ook bij de nu onderzochte patiëntgroepen dat de opgenomen patiënten vrijwel allemaal zeer ziek waren en/of overleden zijn door een bekende complicatie die niet vermijdbaar was. Daarnaast waren soms patiënten ten onrechte onder een diagnosegroep gebracht waarin de vooraf-kans op sterfte vrijwel nihil is. Wanneer een patiënt overlijdt die heel ziek is en die niet in deze groep thuishoort, dan wordt de SMR die bij die diagnosegroep behoort, te hoog berekend.

Concluderend: vrijwel alle onderzochte patiënten hadden volgens het DHD-rapport een zogenaamde lage vooraf-kans op sterfte, maar bij het dossieronderzoek bleek opnieuw dat deze patiënten bij opname veel zieker waren dan waarvoor de gebruikte normeringsfactoren kunnen corrigeren. Dit onderschrijft onze mening dat de H(SMR) onvoldoende corrigeert voor het ziekere type patiënten zoals in een UMC wordt opgenomen.

printen