Uitleg wachtlijsten in de Genderzorg

Het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie (KzcG) van VUmc is veruit de grootste zorgaanbieder op het gebied van transgenderzorg. De zorgvraag is de afgelopen 10 jaar sterk toegenomen, van 150 mensen in 2008 naar ruim 750 nieuwe patiënten in 2016. In 2014 zijn met zorgverzekeraars langetermijn afspraken gemaakt over de vergoeding van deze zorg en zijn de wachtlijsten voor deze zorg teruggebracht van 1,5 tot 2 jaar naar 3 maanden. Over de afgelopen maanden is het aantal aanmeldingen echter verder toegenomen, wat heeft geleid tot een stijging van de wachttijd voor een eerste bezoek van zo'n 8 maanden. 

Hoe kijkt VUmc hier tegen aan?
De sterke toename van zorgaanvragen vraagt om een dubbele aanpak: aan de ene kant wordt gewerkt aan landelijke spreiding van genderzorg. Hiervoor zijn reeds afspraken gemaakt met verschillende zorgaanbieders in het land (zie: www.vumc.nl/afdelingen/zorgcentrum-voor-gender/kennisdeling/samenwerking). Besprekingen zijn gaande om met verschillende  partijen verdergaande samenwerking aan te gaan. Deze netwerkvorming vraagt om zorgvuldigheid en kost tijd.

Daarnaast heeft VUmc gekozen voor verdere uitbreiding van de transgenderzorg. In januari 2017 heeft de raad van bestuur ruimte gemaakt voor verdere uitbreiding van de capaciteit voor 2017 met 20%. Met deze uitbreiding is de totale capaciteit voor instroom van nieuwe patiënten voor 2017 zo'n 900 patiënten. Echter in de eerste drie maanden van 2017 hebben zich inmiddels 40 procent meer nieuwe patiënten gemeld dan in het eerste kwartaal van 2016. Indien het aantal aanmeldingen groter is dan 900 patiënten, zullen de wachtlijsten echter opnieuw toenemen.

Waar staat VUmc voor?
Gender  bevestigende behandelingen hebben als doel genderdysforie te verminderen. Daarnaast zijn het ingrijpende behandelingen met gevolgen op meerdere levensgebieden. VUmc staat voor zorgvuldige aanpak, waarbij de zorgverlener en de patiënt samen onderzoeken wat de patiënt nodig heeft om zichzelf te zijn. VUmc werkt steeds verder samen met andere zorgaanbieders in het land en werkt aan spreiding in kennis. Daarbij is er veelvuldig contact met de patiëntengroep en is er regelmatig overleg met andere partijen (zorgaanbieders, verzekeraars, VWS en NZA).

printen