Uit onderzoek van Dutch Hospital Data (DHD) blijkt dat VUmc in 2016 een gestandaardiseerd sterftecijfer (HSMR) van 115 heeft met een betrouwbaarheidsinterval van 106 - 125. De HSMR in 2016 is licht gestegen ten opzichte van 2015 (toen 113), maar onveranderd ten opzichte van 2014, mede door een iets veranderd rekenmodel. De gemiddelde HSMR (hospital standardised mortality ratio) van VUmc voor de jaren 2014 - 2016 bedraagt 114 (betrouwbaarheidsinterval 109 - 120). Deze gestandaardiseerde cijfers zijn gecorrigeerd voor het patiëntenprofiel, zoals bijvoorbeeld de leeftijd van de patiënt, en of de patiënt ook andere ziekten heeft (co-morbiditeit).

De HSMR is gebaseerd op de sterfte aan 157 diagnosegroepen/ziektebeelden, variërend van slokdarmkanker tot urineweginfecties. De sterftecijfers voor enkele ziektebeelden (SMR's), in de tabel hieronder gegroepeerd per diagnosegroep, zijn in VUmc statistisch significant hoger dan het landelijke gemiddelde (= 100). Voor 2014 - 2016 betrof dit de volgende ziektebeelden: Leukemie, COPD en bronchiëctasie,  Prematuriteit (laag geboortegewicht), Schedelfracturen en ruggenmergletsel, Intracraniaal letsel, Vergifitiging door psychofarmaca, drugs of overige medicatie en Overige letsels en aandoeningen door externe oorzaken. Deze zijn in de tabel rood gemarkeerd.

Er is veel discussie over de waarde en de kwaliteit van de HSMR en van SMR-cijfers onder andere omdat registratiemethoden per ziekenhuis verschillen, bijvoorbeeld in de registratiewijze van aanwezige comorbiditeit. Op basis van alleen deze cijfers is het dan ook lastig om ziekenhuizen met elkaar te vergelijken. Voor een goed beeld moet daarvoor ook worden gekeken naar bijvoorbeeld andere indicatoren zoals opnameduur en aantal heropnames. Verder is bekend dat de standaardisatie van de sterftecijfers niet perfect is en dat wellicht voor de ziekenhuizen die topreferente zorg (3e-lijnsgeneeskunde) leveren, zoals VUmc, de correcties die het rekenmodel toepast voor variaties in de ernst van de ziekte waarmee een patiënt wordt opgenomen, ontoereikend zijn. De sterftecijfers worden immers vergeleken met de sterfte in alle andere ziekenhuizen en niet specifiek met de sterfte in die ziekenhuizen die net als VUmc gespecialiseerd zijn in topreferente zorg zoals traumazorg of waarheen de ernstigst-zieke patiënten worden verwezen.

VUmc heeft al langere tijd geleden een commissie ingesteld die gestructureerd de oorzaken van sterfte bij een deel van de in het ziekenhuis overleden patiënten onderzoekt. Deze Dossiercommissie, bestaande uit onafhankelijke externe onderzoekers, heeft inmiddels alle dossiers uit 2014 t/m 2016 of eerder reeds alle dossiers van het jaar 2014 of 2015 onderzocht van de patiënten die in 2014 t/m 2016 aan de 7 hierboven genoemde ziektebeelden zijn overleden. Het doel was te onderzoeken of er, zoals de significant verhoogde SMR's suggereren, wellicht sprake was van behandeling-gerelateerde significante oversterfte waarvoor verbeteringen in de zorg mogelijk zouden kunnen zijn. Het onderzoek door de dossiercommissie gaf geen verklaring voor de significant verhoogde SMR's. Wel bleek bij een enkele patiënt dat de zorg wellicht beter had gekund. Die bevindingen zijn met de betrokken artsen gedeeld om zo de zorgverbetering na te streven, op betrokken afdeling of ziekenhuisbreed.

Eerder toonde een dergelijk dossieronderzoek dat de hogere SMR bij leukemiepatiënten en bij patiënten met COPD en bronchiëctasie vooral verklaard kan worden doordat de patiënten veel zieker waren dan dat op basis van een landelijk gemiddelde bij een ziekenhuisopname kan worden verwacht. Daarnaast waren soms patiënten ten onrechte onder een diagnosegroep gebracht waarin de vooraf-kans op sterfte vrijwel nihil is. Wanneer een patiënt overlijdt die heel ziek is en die niet in deze groep thuishoort, dan wordt de SMR die bij die diagnosegroep behoort, te hoog berekend.
Omdat er in 2016 geen verandering van zorgprofiel van deze groepen patiënten in VUmc heeft plaats gevonden, zijn de dossiers van deze patiëntgroepen niet opnieuw onderzocht. Bij het huidige door de dossiercommissie uitgevoerde onderzoek bleek ook bij de nu onderzochte patiëntgroepen dat de opgenomen patiënten vrijwel allemaal zeer ziek waren en/of overleden zijn door een bekende complicatie die niet vermijdbaar was. Dit bleek bijvoorbeeld uit het onderzoek naar patiënten met schedelfracturen en/of hersenletsel die ook veel zieker cq ernstiger gewond waren dan op grond van de SMR werd gesuggereerd.

Concluderend: vrijwel alle onderzochte patiënten hadden volgens het DHD-rapport een zogenaamde lage vooraf-kans op sterfte, maar bij het dossieronderzoek bleek opnieuw dat deze patiënten bij opname veel zieker waren dan waarvoor de gebruikte normeringsfactoren kunnen corrigeren. Dit onderschrijft onze mening dat de H(SMR) onvoldoende corrigeert voor het ziekere type patiënten zoals in een UMC wordt opgenomen.