Een kind met een gehemeltespleet heeft meer kans op keel-, neus- en oorziekten dan een kind met een normaal gehemelte. Door het abnormale verloop van de spieren die de buis van Eustachius, waardoor lucht naar het middenoor gaat, openen, functioneert deze minder goed. De kans op te weinig lucht in het middenoor, op vocht in het middenoor en op oorontsteking is toegenomen, alsmede hierdoor de kans op slechthorendheid.
Door een afwijkende bouw van de neus, de neusbodem wordt gevormd door het gehemelte, heeft een kind met een gehemeltespleet meer moeite met neusademhaling en heeft het meer kans op verkoudheden. Verkoudheden kunnen ook veroorzaakt worden door de neusamandel die vrijwel altijd compensatoir vergroot is; na sluiting van de gehemeltespleet blijft het gehemelte meestal aan de korte kant. Ondanks de grote neusamandel kan door het te korte gehemelte tijdens het spreken te veel lucht door de neus komen. De spraak is dan onduidelijk. Om ondanks het luchtverlies door de neus voldoende geluidsenergie te kunnen produceren moet het strottehoofd meer energie leveren dan normaal, overbelasting is mogelijk.
Om ons tot het horen te beperken:
slecht horen heeft verstrekkende gevolgen: als je iets of iemand niet
hoort kun je ook niet luisteren. Voor ouders is het
onderscheid soms moeilijk te maken: is het kind slechthorend (doof)? of
Oost-Indisch doof? (wil het niet luisteren). Een verkeerde inschatting:
mijn kind wil niet luisteren, terwijl het kind niet hoort, zal de
ouder-kindrelatie benadelen. Ook bij een juist oordeel is de opvoeding
van een kind dat regelmatig slecht hoort, lastig.
De slechthorendheid bij schisis is wisselend, afhankelijk van een aantal factoren als seizoen en infecties. Bovendien spelen de akoestische omgeving en het aantal stoorgeluiden een rol. Kinderen die vaak slecht horen, gaan zich meestal anders gedragen. Een kind kan zich bijvoorbeeld terugtrekken om op die manier falen te voorkomen. Deze strategie heeft op zichzelf weer negatieve gevolgen.
Slechthorendheid kan leiden tot taalproblemen; wat je niet hoort kun je niet gebruiken om het systeem van taal op te bouwen. Een kind moet tevens voldoende taalaanbod krijgen: door zich terug te trekken uit de sociale omgeving, krijgt een kind minder taal aangeboden. Onvoldoende taalbeheersing vermindert de mogelijkheid om zich te uiten, tevens wordt het leren denken, waarvoor (inwendige) taal nodig is, bemoeilijkt. Dat bovengenoemde factoren ook emotionele invloed hebben, behoeft geen nadere toelichting.
Bij een patientje met een gehemeltespleet zal het gehoor zorgvuldig gecontroleerd moeten worden. Oorontstekingen en/of glue ears moeten zo nodig behandeld worden. Het beloop van deze aandoeningen is niet anders dan bij andere kinderen: het percentage spontane genezing is groot. Het is zaak eventuele gevolgen van gehoorverlies voor te zijn.
Dit verschilt per kind: bij een kind met een goede aanleg voor taal, zal de taalontwikkeling niet zo snel in het gedrang komen en kan men langer wachten alvorens bijvoorbeeld trommelvliesbuisjes te plaatsen. Een andere factor die zorgvuldig vervolgd wordt, is de spraakontwikkeling. Als deze inderdaad slecht verloopt, moet er geen extra handicap in de vorm van gehoorverlies bijkomen. Spraak die door anderen niet verstaan wordt betekent dat een kind niet gehoord wordt, dit moet voorkomen worden, want ook een kind met schisis heeft wat te vertellen.