MRI voorspelt achteruitgang bij mensen met MS

Gepubliceerd op: 23-01-2019

Het voorspellen van fysieke en cognitieve beperkingen bij MS op de lange termijn is belangrijk, maar nog altijd lastig. Onzekerheid over de toekomst is voor veel mensen met MS moeilijk om mee om te gaan. Iris Dekker, onderzoeker bij het MS Centrum Amsterdam, heeft in een studie gevonden dat vroege veranderingen op MRI-scans in de eerste twee jaar na de diagnose een voorspelling kunnen geven over de lichamelijke achteruitgang na zes en twaalf jaar. De resultaten zijn onlangs gepubliceerd in het blad European Journal of Neurology.

Voor deze studie onderzocht Iris Dekker, samen met collega’s, de MRI-scans van 115 mensen met MS. De eerste MRI-scan was gemaakt rondom de diagnose en de volgende na twee jaar. Vervolgens keek ze naar de lichamelijke en cognitieve achteruitgang van deze mensen na zes en twaalf jaar en relateerde dat aan de veranderingen die in de eerste twee jaar na de diagnose al zichtbaar waren op de MRI-scans. Ze keek op de MRI-scans voornamelijk naar de grootte van de MS-laesies en de hoeveelheid verlies van hersenweefsel (hersenkrimp). Naast de MRI-maten zijn ook het type MS, de verandering van de lichamelijke beperking over de eerste twee jaar, leeftijd, geslacht en opleidingsniveau meegenomen.

Uit de resultaten blijkt dat mensen met een progressieve vorm van MS en met tekenen van vroege hersenkrimp een grotere kans hebben op zowel lichamelijke als cognitieve achteruitgang. Cognitieve stoornissen blijken ook gerelateerd te zijn aan een mannelijk geslacht en lager opleidingsniveau, maar waren moeilijker te voorspellen dan lichamelijke beperkingen. In een vervolgonderzoek zal gekeken worden of geavanceerdere MRI-technieken, zoals functionele MRI, de cognitieve achteruitgang beter kan voorspellen.

Deze studie is gefinancierd vanuit de programmasubsidie die we van de Stichting MS Research hebben ontvangen.

Originele artikel:

Predicting clinical progression in multiple sclerosis after six and twelve years.
Eur J Neurol. 2019 Jan 10. doi: 10.1111/ene.13904.
Dekker I, Eijlers AJC, Popescu V, Balk LJ, Vrenken H, Wattjes MP, Uitdehaag BMJ, Killestein J, Geurts JJG, Barkhof F, Schoonheim MM.

Gepubliceerd op: 23-01-2019