Hypothalamus bij parkinsonisme aangedaan

Gepubliceerd op: 28-11-2018

De ziekte van Parkinson en vergelijkbare ziekten (parkinsonismen) worden gekenmerkt door een tekort aan de signaalstoffen dopamine en serotonine na afsterven van hersencellen. Het tekort aan dopamine zorgt vaak voor motorische klachten, zoals traagheid en stijfheid, terwijl serotoninetekort eerder angst en depressie lijkt te veroorzaken bij parkinsonismen. De ziekte van Parkinson lijkt in het begin vaak op parkinsonismen met een ernstiger beloop omdat symptomen overlappen. Voor toekomstperspectieven en behandeling zijn patiënten en mantelzorgers erbij gebaat om vroeg in het ziekteproces te weten waar ze aan toe zijn.

Uit onderzoek van Merijn Joling blijkt nu dat de hypothalamus bij verschillende parkinsonismen op een andere manier is aangedaan. De hypothalamus is het gebied in de hersenen dat onder andere een belangrijke rol speelt bij temperatuur- en bloeddrukregulatie. Bij een ernstiger verlopend parkinsonisme waren er minder serotoninecellen in de hypothalamus vergeleken met de ziekte van Parkinson. Naast dit verschil tussen parkinsonismen vond hij bij patiënten met de ziekte van Parkinson een relatie tussen angst en het afnemen van serotoninecellen in een gebied in de hersenen dat belangrijk is voor het verdelen van informatie: de thalamus.

Met een nucleaire scan (SPECT-scan) en een licht radioactief molecuul (een tracer, genaamd 123I-FP-CIT) keek Joling in hoeverre de dopamine- of serotoninecellen aangetast zijn en of parkinsonismen verschilden. Omdat er weinig bekend is over afbraak van serotoninecellen bij parkinsonismen, keek hij of dit als extra informatie kan helpen bij de beoordeling van 123I-FP-CIT hersenscans. In de toekomst kan dit wellicht helpen om beter onderscheid te maken tussen parkinsonismen met 123I-FP-CI.

Merijn Joling promoveert 3 december bij Amsterdam UMC.

Titel proefschrift: Extrastriatal 123I-FP-CIT binding in Parkinson's disease, dementia with Lewy bodies and related disorders Promotoren: prof.dr. H.W. Berendse, prof.dr. J. Booij
Copromotoren: prof.dr. O.A. van den Heuvel, dr. C. Vriend

Gepubliceerd op: 28-11-2018