Betrokken en zorgvuldig - Kennis maakt ons beter

De behandeling van diabetes

Hoe wordt mijn diabetes behandeld?

Jouw lichaam maakt zelf geen insuline meer. Die insuline heb je wel nodig. Daarom moet de diabetes behandeld worden met insuline.
Jammer genoeg bestaan er geen insuline-pilletjes of insuline-drankjes. Insuline moet je inspuiten, net onder de huid. Dat kan in je bil, het bovenbeen of je buik.
Je moet één, twee, drie of vier keer per dag insuline spuiten, of je krijgt insuline via een insulinepomp. Het is niet zo dat vaker op een dag spuiten, betekent dat je diabetes erger is.

Meer informatie over insulinepomptherapie

Een insulinepomp is een apparaatje wat je 24 uur per dag bij je draagt. In de pomp gaat insuline, meestal snelwerkende insuline.
Maar nu moet die insuline nog wel in jouw lichaam komen.
Je plaatst een naaldje in je buik of bil. Aan dat naaldje komt een slangetje en dat slangetje zit weer aan de pomp vast. Zo komt de insuline in je lichaam.
Als je geen diabetes hebt, geeft de alvleesklier voortdurend kleine beetjes insuline af.  Als je koolhydraten gaat eten, maakt de alvleesklier extra insuline. De pomp lijkt een beetje op de gezonde alvleesklier. Hij geeft ook kleine beetjes insuline af (dat heet de basale stand) en als je koolhydraten eet, moet je wat extra geven. Dat noemen we een maaltijdbolus. 
Het is natuurlijk niet zo dat die pomp kan nadenken en daardoor jouw diabetes wel even regelt. Helaas! Je moet zelf de insulinepomp instellen, bedienen en bijstellen. Dat bijstellen is afhankelijk van de bloedglucose die je hebt gemeten. 
Je begrijpt dat je dat eerst moet leren. Meestal heb je drie maanden nodig om alles onder de knie te krijgen voor dat je echt overgaat op de insulinepomp.

 

Voor wie is de insulinepomp?

Allereerst is motivatie erg belangrijk. Jij en eventueel je ouders (dat is afhankelijk van jouw leeftijd) moeten het zelf willen. Natuurlijk moet het behandelteam er ook achterstaan.
Er zijn meerdere redenen om over te gaan van spuiten met de insulinepen, naar de insulinepomp. Zo kan het zijn dat je problemen houdt met je diabetesinstelling ondanks een intensief insulineschema en intensieve zelfcontrole, je bloedglucosewaarden kunnen dagelijks te sterk wisselen, je kunt last hebben van ernstige (nachtelijke) hypoglycaemiëen (te lage bloedglucosewaarden), maar het kan ook zo zijn dat je  bloedglucose in de ochtend steeds stijgt. Wil je meer weten over insulinepompbehandeling, vraag het aan iemand van je behandelteam.

Hoe weet ik of ik goed ben ingesteld?

 

Insuline verlaagt je bloedglucose. Als je geen diabetes hebt weet je alvleesklier precies wanneer en hoeveel insuline er gemaakt moet worden. Je lichaam regelt dat zelf. Als je diabetes hebt moet jij het regelen.
Met behulp van een bloedglucosemeter meet je de bloedglucosewaarden (de hoeveelheid glucose in je bloed). Er zijn een heleboel dingen die invloed hebben op je bloedglucosewaarden; insuline, voeding, beweging zoals sport. Maar ook zenuwachtig, boos of ziek zijn, hebben invloed op je bloedglucose.
Om je diabetes goed te kunnen regelen zal je regelmatig je bloedglucose moeten meten om te weten hoeveel insuline je nodig hebt.

De Glucosesensor

De glucosesensor meet iedere vijf minuten een bloedglucose gedurende drie dagen.
De sensor wordt in je bil of buik geplaatst, en is verbonden met een kabeltje aan een apparaatje, dat je bij je draagt. Daarbij moet je wel je bloedglucose blijven meten. Je wordt geleerd hoe je het apparaat moet bedienen. Verder is het belangrijk om een uitgebreid dagboek bij te houden, met niet alleen je bloedglucosewaarden maar ook met wat je hebt gegeten en gedaan, bijvoorbeeld als je hebt gesport. Na die drie dagen haal je de sensor uit je bil of buik. Het ingevulde dagboek en het apparaat lever je in en wordt uitgelezen in het ziekenhuis. De uitslag wordt later met je besproken.

printen